Mijn wereld

Welkom in mijn wereld van woorden, gedachten en spinsels.

Mens, waar ben je?

Genesis 3:9 Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’

Genesis 3:11 ‘Wie heeft je verteld dat je naakt bent?

Genesis 3:11:Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik je verboden had te eten?’

Genesis 3:13 ‘Waarom heb je dat gedaan?’

Genesis 4:6:De HEER vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker?

Genesis 4:9 Toen vroeg de HEER: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Kaïn.

Genesis 4:10: ‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER.

“Mens, waar ben je”

Voor wie in de Bijbel gaat lezen valt het misschien op dat in de verhouding tussen God en de mens God vragen stelt aan de mensen.

In de eerste vier hoofdstukken van het boek Genesis (Oorsprong, verhaal over de wording van de aarde en de mens) lezen we al vrij snel dat God vragen moet gaan stellen aan de mens.

Let wel: dit zijn vragen die gesteld worden ná de val in zonde. 

Voor die tijd was er een eenheid: men kende elkaar en vragen stellen was niet nodig. Daarna komen de vragen van God.

Het begint steeds met God die wil weten waar de mens staat, bij wat men “de zondeval” noemt:

“Waar ben je”

“Waar komt je kennis over naaktheid vandaan?”

“Waar heb jij van gegeten”?

“Waar is de reden om dit te doen?”

Bij Kain en Abel:

“Waar komt je kwaadheid vandaan?”

“Waar is je broer”

En dan: “wát heb jíj gedaan”?

Jij, kind van mijn schepping, wat heb jij gedaan.

En dan het antwoord van de mens: ik weet het niet. Zoonlief heeft goed geleerd wat Adam al deed: “ik heb er geen schuld aan”

Er wordt gedraaid: “de vrouw die U mij gegeven hebt” en “ Ik weet niet waar mijn broer is”. De leugen van de slang zit in de aard van de mens.

Ach.

Ze wisten het wel.

Net zoals David wel wist dat Bathseba getrouwd was, net zoals Simson wel wist dat hij het geheim van zijn Nazireeër zijn niet mocht delen met anderen.

Voorbeelden te over van mensen die het wel wisten maar de waarheid wilden verstoppen voor God.

Zo zijn wij mensen geworden: we beweren het ene maar weten het andere.

Mogelijk voelen we ons vele malen beter dan Eva.

Wij laten ons niet verleiden toch?

Wordt wakker.

Wij zijn net zo dom en net zo gericht op eigen belang als Eva was.

Uit onderzoek is gebleken dat mensen bij het horen van een bepaald melodietje exact weten bij welke reclame het hoort.

Maar nee hoor: wij laten ons niet verleiden…

De slimheid van de slang in Eden is aardig te vergelijken met de slimheid van reclame-aanbieders en verkopers van producten: er wordt ingespeeld op een bepaald gevoel, een bepaalde wens van de ontvanger.

En niet alleen reclame heeft invloed op ons denken en doen.

Kerken klagen regelmatig over het gebrek aan personen voor vrijwilligerswerk, voor invulling van taken als oudste, ouderling, diaken, kerkmeester, bezoeker.

De redenen om niet te reageren op een vraag om mee te helpen zijn divers:

Het gezin, het werk, sport……

Allerlei redenen om niet actief mee te kunnen doen.

De verleiding uit het paradijs komt kennelijk in vele vormen terug in deze wereld en onze tijd.

Een bekende theoloog schreef ooit een kort essay met de titel “Mens, waar ben je”. Opmerkelijk aan dit essay is dat het decennia later leidde tot een ander essay van dezelfde schrijver met de pakkende titel “Red hen die geen verweer hebben”.

Beide essays gaan over een zoekende God die mensen wil vinden.

Over een vragende God die mensen wil kennen en herkennen.

Over een God die zijn creatie wil blijven ontmoeten en spreken.

Ander kenmerk in deze twee essays is de kernvraag: “als wij elkaar al niet zien, hoe moet God ons dan zien? Sterker nog: hoe moeten wij God dan nog zien.?”

God stelt de vraag:

“Mens, waar ben jij?”

En wij, wij verstoppen ons in het struikgewas van de sportschool, het werk en het gezin.

Wij horen geen mens meer roepen laat staan dat wij nog enig besef van een roepende God kennen.

Of we draaien het om: we laten onszelf onderdompelen in het werk in kerk en gemeente en vergeten het gezin of de naaste.

Als deze God de vraag stelt aan jou “Mens, waar ben je” dan is daar een reden voor. Hij wil jou dan zien én wil je spreken.

Kerk, gezin en naaste geven in hun spreken vorm aan die stem van God.

De kerk, gezin en naaste spreken zeg maar “namens” God.

Zij zeggen met Hem: Mens, waar ben je?

Zo spreken ook de armen, de zieken, de gevangen namens God als zij vragen: “mens, waar ben je” omdat zij jou nodig hebben. Zo spreken je kinderen, je man, je vrouw, je naasten.

Het is de moeite waard om in je eigen leven eens na te denken over het antwoord wat jij geeft op deze ene vraag:

Mens, waar ben je?

Ik hoop van harte dat jij zegt “hier ben ik Heer” zoals Samuel, een jong kind in pyjama, slapend bij de ark van God, dat kon zeggen.

Hier ben ík Heer, ik luister, leer mij uw weg.

Geef mij oren om te horen door wie U mij roept.

Geef mij handen om te dienen waar U mij roept.

Geef mij een hart vol gebeden voor hen die U op mijn weg brengt.

Mens waar ben je?

Hier ben ik Heer.

Met de voeten op de aarde. Schepping van U.

Met mijn hoofd in de wolken mag ik dienen

Hier ben ik Heer.

Met mijn hart mag ik U dienen

Met mijn ziel U naleven

Hier ben ik.

Maar God. Waar ben Jij?

Hier ben ik mens.

Naast jou, op de aarde

Schepping voor jou

Daar ben ik mens: in de wolken

Waar ik regen en zegen maak voor jou

Hier ben ik mens:

In je hart waar ik wil leven

In je ziel waar ik jou bezield laat zijn.

Mens: daar zijn wij.

Rest mij u te wensen:

Vrede en alle goeds

RL 20160418